Drie fatale mythen die ten grondslag liggen aan de crisis | 3. de overheid moet terugtreden (het marktdenken)

In het neo-liberale denken dat begin jaren tachtig langzaamaan voet aan de grond kreeg in Europa werd de overheid steevast afgeschilderd als de bron van alle kwaad. Met zijn regels en bemoeizucht verhinderde de overheid de economische groei en het realiseren van de wensen van de burger. Bovendien had de overheid veel te veel mensen in dienst (wat bij een terugtredende overheid nog erger wordt), waardoor de overheid te duur was. Regeringen moesten afslanken en de vervulling van de diepste wensen van de burger (een i-pad en een segway, weten we nu) aan de markt overlaten. Burger en bedrijf zouden er samen het beste uitkomen.

We hoeven maar naar het rookprobleem te kijken om te zien hoe waanzinnig deze laatste stelling is. De tabaksindustrie heeft lange tijd geprobeerd om regulering tegen te houden met de slogan: “we komen er samen wel uit”. In de praktijk betekende dit dat er gewoon doorgerookt werd als voorheen. De gevolgen van de markwerking, het terugtreden van de overheid, strekken echter vele malen verder dan het rookvoorbeeld. Want daar bleef de situatie nog onveranderd. Maar de vrije markt leidde tot chaos, grootschalige diefstal, kapitaalverlies en een enorm kwaliteitsverlies.

Toen de marktwerking in de jaren negentig goed op de rails was gezet, werd al heel snel duidelijk wat de gevolgen waren. Bij zorginstellingen en nutsbedrijven verhoogden de directies als eerste hun salarissen en schaften zich een PC Hooft-traktor aan. Vervolgens stelden zij dat hun bedrijf een gewoon bedrijf moest zijn en dus winst moest maken. Wie aflevering twee heeft gelezen weet wat dat de organisaties met een maatschappelijk doel als gevolg daarvan veel hoger, financieel geschoold personeel gingen aantrekken. Waardoor de organisaties een waterhoofd kregen en te hoge personeelskosten. Met het gevolg dat op de werkvloer gesnoeid moest worden. Binnen korte tijd leverden de vrijgemaakte bedrijven niet de verwachte extra service, maar juist heel veel minder.

Aanvankelijk werden deze negatieve verschijnselen afgedaan als kinderziekten. Maar uit mijn verhaal zal inmiddels duidelijk zijn dat deze ontwikkelingen inherent zijn aan het systeem. Als de visie van een bedrijf wordt dat het winst moet maken en de overheid ter ondersteuning daarvan een facilitaire positie inneemt, dan is dat hetzelfde als geen visie hebben. Sowieso heeft een overheid die alles aan de markt overlaat geen visie. En dat is nu het grote probleem. Een overheid die iets voor zijn burgers wil doen, moet een sterke visie hebben, moet de touwtjes in handen willen houden. Als je de zorg goedkoper wilt hebben, dan moet je actief sturen. Hetzelfde geldt voor de woningbouw. De malaise op de huizenmarkt is een direct gevolg van de vrije markt. Die heeft de prijzen opgejaagd, niet de hoogte van de hypotheek.

De gevolgen van ruim twintig jaar totaal visieloos regeren zijn nu volop zichtbaar. Aanvankelijk heeft het ambtenarenapparaat zich dapper verzet tegen de leeghoofdigheid van de winstvisie, maar na jaren strijd heeft men het begin jaren negentig opgegeven. Het ambtenarenapparaat weet nu niet meer hoe het de ontwikkelingen op de markt kan bijsturen. De regering moet het hebben van adviezen van de ambtenaren, dus die heeft ook geen idee hoe hun vage ideeën gerealiseerd kunnen worden. De gevolgen zijn elke dag overal zichtbaar. Politici roepen bijvoorbeeld keer op keer “meer blauw op straat” en bezuinigen vervolgens net zo makkelijk tweeduizend arbeidsplaatsen bij de politie weg. Ons land, nee heel de westerse wereld, is stuurloos geworden. Dat is de essentie en tegelijk het resultaat van het marktdenken.

Advertisements

Drie fatale mythen die ten grondslag liggen aan de crisis | 0. inleiding

Elke dag kijk ik met meer ongeloof naar onze politici die op de huidige crisis geen beter antwoord weten dan afwachten tot het over gaat. Nathouden en pappen lijkt de filosofie. Nu moet ik eerlijk zeggen dat ik ook pas dit jaar alles op een rijtje heb gezet. Maar achter de grote mensen van de politiek zitten wetenschappelijke denktanks vol met gestudeerde hoofden. Die zouden toch met wat leuks moeten kunnen komen. En dan bedoel ik niet de vlaktaks, die het probleem alleen maar veel erger zal maken.

De malaise waar we nu in zitten is volgens mij voor een groot deel te wijten aan het geloof in drie mythen, die ergens eind jaren zeventig begin jaren tachtig gemeengoed zijn geworden. Die mythen zijn toen als wetenschappelijke uitgangspunten gepresenteerd, maar zijn eigenlijk totaal onbewezen. Of misschien moet ik zeggen, zij waren destijds onbewezen, maar nu is wel aangetoond dat er niets van deugt. Voor ik op die mythen inga, zal ik eerst kort aangeven in welke situatie die mythen aanhang kregen.

Het wonder van de naoorlogse welvaart is voor het grootste deel tot stand gebracht door het creëren van koopkrachtige vraag aan de onderkant van de samenleving. Verschillende maatregelen zijn ingezet om dat resultaat te bereiken. De belangrijkste daarvan is de nivellering van de lonen door middel van gedifferentiëerde belastingheffing. In het kort: de belastingen voor de laagste lonen werden verlaagd en dat werd betaald met verhoging van de belasting voor de hogere lonen.  Door deze nivellering kreeg de arbeidersklasse voor het eerst toegang tot luxe goederen.  Daardoor steeg de vraag naar goederen wat weer tot inflatie leidde, de producten werden duurder. En daardoor dreigde de groei te stagneren.

In de jaren zeventig begon zich zo’n combinatie van inflatie en stagnatie af te tekenen. Volgens sommigen zou de oplossing kunnen bestaan uit een denivellering , waardoor het voor de rijken aantrekkelijker zou worden om geld te investeren en daarmee te verdienen. Producten zouden dan goedkoper gemaakt kunnen worden, waardoor het effect van hogere belasting voor de laagstbetaalden teniet gedaan zou worden. En het zou de inflatie beteugelen. Op zich was er niet veel in te brengen tegen zo’n corrigerende maatregel. Maar in het kielzog van deze conservatieve ideeën drongen veel radicalere concepten het denken van economen binnen. Het zijn de ideeën dat rijke mensen voor groei zorgen, dat bedrijven er zijn om winst te maken en dat de overheid zich niet met de markt moet bemoeien.

Het zijn concepten die weinig meer te maken hebben met het sturen van de economie, maar veel meer met de inrichting van de samenleving. Ze zijn vergelijkbaar met de conservatieve ideeën die naar boven kwamen door het succes van de evolutietheorie, namelijk die van het sociaal darwinisme. Rijke en machtige mensen waren zo, omdat zij geselecteerd waren door de evolutie. Daar kon men zich beter niet tegen verzetten. Maar in feite is daardoor het concept van “survival of the fittest” vervangen door het concept van “survival of the fattest”, ook wel Jungle Law genoemd.

In de volgende drie aflevering zal ik de mythen één voor één behandelen. Het gaat om de volgende drie mythen:
1) Heel rijke mensen zorgen voor groei  (aggregatie van rijkdom) ;
2) Bedrijven zijn er voor de eigenaren, de aandeelhouders (en die willen winst);
3) Een terugtredende overheid zorgt voor meer welvaart  (de vrije markt).

Bij elkaar vormen deze drie mythen het neo-conservatieve paradigma van het marktdenken.