Drie fatale mythen die ten grondslag liggen aan de crisis | 2. winst maken is het doel van bedrijven

Het lijkt zo natuurlijk en voor de hand liggend, dat het doel van bedrijven, of organisaties in het algemeen, is om winst te maken. Maar het is helemaal niet natuurlijk. Het doel van organisaties hoort maatschappelijk te zijn. Sinds de dageraad der mensheid hebben wij ons verenigd om gezamenlijk doelen te bereiken, lang voordat het begrip winst bestond. Vanaf de eerste jachtgroepen via de weefgetouwen van de industriële revolutie tot en met de pharmaceutische giganten van nu, al deze organisaties ontlenen hun bestaansrecht aan het feit dat zij iets nuttigs opleveren voor de mens. Anders gezegd, de samenleving heeft het volste recht om de doelstellingen van organisaties te toetsen aan de doelstellingen van de samenleving als geheel. Als een organisatie wordt opgericht met het doel om Nederland onder water te zetten om er één groot watersportgebied voor rijke Chinezen van te maken, dan zal die organisatie snel tot de orde geroepen worden.

Toch heeft de winstdoelstelling meegespeeld in de rol van de organisatie vanaf het allereerste gebruik van betaalmiddelen. In elk geval toch bij particuliere organisaties. Daar is ook een rechtvaardiging voor: degene die de geldelijke middelen beschikbaar stelt voor het opzetten van een organisatie heeft recht op een vergoeding. Daarvoor moet het bedrijf meer verdienen dan er is ingestopt: de winst. Daarnaast is het natuurlijk nodig geld opzij te zetten voor onderhoud, vernieuwing en tegenslagen. Nog altijd is echter winst niet het hoofddoel van de organisatie. Het is eerder een noodzakelijk middel om het bedrijf mogelijk te maken (rente voor de geldschieter) of in stand te houden (reserves sparen). Winst is dus geen doel, maar een voorwaarde.

Ergens in het zog van de neo-liberale revolutie heeft het idee postgevat dat organisaties er zijn voor de aandeelhouders. Wat zij doen en hoe zij dat doen is niet belangrijk, als de aandeelhouders er maar beter van worden. Dat alles binnen wettelijke, maatschappelijke kaders. Hier is de verschuiving al duidelijk zichtbaar. Het maatschappelijk doel is een maatschappelijk kader geworden. De bestaansvoorwaarde winst is een afgeleid doel geworden, namelijk van het hoofddoel de aandeelhouders rijker te maken. Omdat echter de wetgeving de directe invloed van aandeelhouders in vrijwel alle landen danig beperkt, is in de praktijk het maken van winst het hoofddoel van de organisatie geworden.

Daarmee is een doos van pandora opengetrokken die van de oorspronkelijke maatschappelijke doelstelling van organisaties een waanzinnige persiflage heeft gemaakt. De belangrijkste persoon in de organisatie, de president-directeur, werd alleen nog maar afgerekend op winst. Omdat deze figuren meestal niet voldoende verstand hadden van de financiële aspecten van de bedrijfsvoering, begonnen zij zich te omringen met een hele hofhouding van economisch en financieel geschoolde vazallen, die zonder uitzondering één ding gemeen hadden: zij wisten geen klap van de maatschappelijke rol van de organisatie. Wel maakten zij daar langzamerhand de dienst uit. Wie twijfelt aan deze visie moet maar eens uitzoeken of de opkomst van functies als controller en treasurer niet toevallig samenviel met het begin van het winst-paradigma.

De gevolgen van deze ontwikkeling zijn bekend. Vrijwel alle organisaties hebben tegenwoordig een gigantisch waterhoofd, waardoor de personeelslasten enorm gestegen zijn. Als oplossing heeft men flink gesnoeid in de uitvoerende taken, waardoor organisaties steeds meer moeite hebben hun taken naar behoren te verrichten. Dat is helemaal niet erg als het maken van winst de hoofdtaak is. Maar als het bedrijf iets voor de samenleving moet betekenen, is het wel erg. Veel erger is nog dat hele landen van hun industrie beroofd zijn doordat het voor de winst beter uitkwam de boel te verkopen of naar het buitenland te verplaatsen. Hedgefunds zijn de moderne uitwassen van deze ontwikkeling. Niet langer tellen economische onafhankelijkheid, werkgelegenheid en onderzoeksmogelijkheden mee in de besluitvorming, maar uitsluitend nog de vraag hoe de aandeelhouder zo snel en zo ruim mogelijk beloond kan worden.

Advertisements

Drie fatale mythen die ten grondslag liggen aan de crisis | 1. rijke mensen bevorderen de groei

Het standaard argument om de hoogste belastingtarieven te verlagen is dat rijke mensen dan eerder geneigd zullen zijn om te investeren. Maar waarom zouden zij dat doen? Als zij meer overhouden zullen zij dan meer gaan investeren? Of zullen zij eerder het surplus extra veilig oppotten, bijvoorbeeld bij een bank in Zwitserland? Of zullen zij eerder geneigd zijn om aan zeer risicovolle projecten met te doen. Ik denk het laatste. Meer geld leidt tot meer windhandel.

Rijke mensen dragen sowieso niet bij aan de groei. Een eenvoudig rekenvoorbeeld laat dit zien. Stel een rijke heeft één miljoen. Daarvoor zal hij spulletjes kopen, maar niet meer dan hij nodig heeft. Misschien zullen er in zijn huis tien tv’s passen. Stel nu dat duizend gewone mensen dat miljoen hebben. Dan kunnen zij duizend van die tv’s kopen. In dit geval is de bijdrage aan de groei dus groter. Dat dit mechanisme werkt is ook te zien aan het feit dat de welvaartsgroei het hoogst was op het moment dat er stevig genivelleerd werd.

Er is nog een algemener bezwaar tegen de aggregatie van rijkdom bij enkelen. Als geld niet meer nodig is om te leven, maar in overvloed voorhanden is, dan zullen mensen wegen zoeken om ermee te spelen. Door te gokken op de beurs bijvoorbeeld, door risicovol te beleggen, door deelname aan de fantasieprojecten waar banken zich de laatste twintig jaar in gespecialiseerd lijken te hebben. Als het fout gaat zijn zij het geld kwijt. Voor henzelf is dat niet erg, zeker niet als zij genoeg over hebben. Maar voor de maatschappij die de belastingen verlaagd heeft om dit risicovolle gedrag mogelijk te maken betekent het inkomstenverlies. Per saldo heeft de belastingverlaging  dan op geen enkele manier bijgedragen aan de groei. Er is immers een hoop geld verdwenen dat anders nuttig besteed had kunnen worden.

Alle redenen om rijke mensen meer geld over te laten houden door belastingverlaging zijn drogredenen. Het wakkert de windhandel aan, de handel in risicovolle beleggingen. Verhoging van de belasting voor de rijken daarentegen zal wel een gunstig effect hebben. In dat geval zullen zij namelijk wel moeten beleggen, omdat de rente op spaarrekeningen de inflatie niet bij zal houden. En zij zullen dan veiliger gaan beleggen omdat er meer op het spel staat. Wil je de groei bevorderen dan moet je de hoogste belastingtarieven verhogen en de laagste verlagen. Kortom: als het werkelijk om groei gaat moet je geen vlaktaks invoeren, maar juist verder nivelleren. Daarmee zul je tevens de bestedingen van de laagste inkomensgroepen opvoeren. Draai je daarbij tegelijk de kredietkraan dicht, dan zal het schuldenprobleem vanzelf kleiner worden.

Drie fatale mythen die ten grondslag liggen aan de crisis | 0. inleiding

Elke dag kijk ik met meer ongeloof naar onze politici die op de huidige crisis geen beter antwoord weten dan afwachten tot het over gaat. Nathouden en pappen lijkt de filosofie. Nu moet ik eerlijk zeggen dat ik ook pas dit jaar alles op een rijtje heb gezet. Maar achter de grote mensen van de politiek zitten wetenschappelijke denktanks vol met gestudeerde hoofden. Die zouden toch met wat leuks moeten kunnen komen. En dan bedoel ik niet de vlaktaks, die het probleem alleen maar veel erger zal maken.

De malaise waar we nu in zitten is volgens mij voor een groot deel te wijten aan het geloof in drie mythen, die ergens eind jaren zeventig begin jaren tachtig gemeengoed zijn geworden. Die mythen zijn toen als wetenschappelijke uitgangspunten gepresenteerd, maar zijn eigenlijk totaal onbewezen. Of misschien moet ik zeggen, zij waren destijds onbewezen, maar nu is wel aangetoond dat er niets van deugt. Voor ik op die mythen inga, zal ik eerst kort aangeven in welke situatie die mythen aanhang kregen.

Het wonder van de naoorlogse welvaart is voor het grootste deel tot stand gebracht door het creëren van koopkrachtige vraag aan de onderkant van de samenleving. Verschillende maatregelen zijn ingezet om dat resultaat te bereiken. De belangrijkste daarvan is de nivellering van de lonen door middel van gedifferentiëerde belastingheffing. In het kort: de belastingen voor de laagste lonen werden verlaagd en dat werd betaald met verhoging van de belasting voor de hogere lonen.  Door deze nivellering kreeg de arbeidersklasse voor het eerst toegang tot luxe goederen.  Daardoor steeg de vraag naar goederen wat weer tot inflatie leidde, de producten werden duurder. En daardoor dreigde de groei te stagneren.

In de jaren zeventig begon zich zo’n combinatie van inflatie en stagnatie af te tekenen. Volgens sommigen zou de oplossing kunnen bestaan uit een denivellering , waardoor het voor de rijken aantrekkelijker zou worden om geld te investeren en daarmee te verdienen. Producten zouden dan goedkoper gemaakt kunnen worden, waardoor het effect van hogere belasting voor de laagstbetaalden teniet gedaan zou worden. En het zou de inflatie beteugelen. Op zich was er niet veel in te brengen tegen zo’n corrigerende maatregel. Maar in het kielzog van deze conservatieve ideeën drongen veel radicalere concepten het denken van economen binnen. Het zijn de ideeën dat rijke mensen voor groei zorgen, dat bedrijven er zijn om winst te maken en dat de overheid zich niet met de markt moet bemoeien.

Het zijn concepten die weinig meer te maken hebben met het sturen van de economie, maar veel meer met de inrichting van de samenleving. Ze zijn vergelijkbaar met de conservatieve ideeën die naar boven kwamen door het succes van de evolutietheorie, namelijk die van het sociaal darwinisme. Rijke en machtige mensen waren zo, omdat zij geselecteerd waren door de evolutie. Daar kon men zich beter niet tegen verzetten. Maar in feite is daardoor het concept van “survival of the fittest” vervangen door het concept van “survival of the fattest”, ook wel Jungle Law genoemd.

In de volgende drie aflevering zal ik de mythen één voor één behandelen. Het gaat om de volgende drie mythen:
1) Heel rijke mensen zorgen voor groei  (aggregatie van rijkdom) ;
2) Bedrijven zijn er voor de eigenaren, de aandeelhouders (en die willen winst);
3) Een terugtredende overheid zorgt voor meer welvaart  (de vrije markt).

Bij elkaar vormen deze drie mythen het neo-conservatieve paradigma van het marktdenken.

JSF | het vliegtuig met de vijf poten

De JSF, de beoogde opvolger van onze F16, kampt met voortdurende prijsstijgingen. Politici zijn daar boos over, maar het hoeft eigenlijk niemand te verwonderen. Door de politiek aangestuurde projecten worden altijd vele malen duurder dan commerciële projecten (die in zo’n geval tenminste nog tot een gezond faillissement leiden). De reden voor de kostenoverschrijdingen is een heel simpele: het menselijk streven naar perfectie. Nog voor een project van start gaat, maar na het vaststellen van het program van eisen, treedt er een fase in, waarin mensen gaan nadenken. Vaak is dan de logische redenering: “nu we toch zoiets gaan doen, kunnen we dan ook niet meteen…..” Dit is de dood in de pot voor ieder project. Voor bedrijven die het moeten uitvoeren is het namelijk DE kans om onder de eisen van de openbare uitbesteding uit te komen. Ieder die een huis heeft laten bouwen kent de vervloekte meerwerk-clausule. Meerkwerk kost een factor tig meer dan wanneer je het van tevoren had afgesproken. Voor aannemers is dit de bron van winst. Wil je een aannemer pesten, laat je huis dan geheel volgens bestek bouwen.
Tot zover is alles duidelijk. Maar bij de JSF is meer aan de hand. Hier waren namelijk de oorspronkelijke eisen al volstrekt onmogelijk. Het moest een vliegtuig worden dat zowel de luchtmacht als de marine tevreden zou stellen. En zo’n vliegtuig bestaat niet. En wat erger is, het kan ook niet gebouwd worden. Dat is de reden dat de JSF zo verschrikkelijk lang op zich laat wachten en zo verschrikkelijk duur wordt. Het is alsof in de behuizng van een Mini de motor en de laadruimte van een BMW X5 hadden moeten passen. Zelf een leek kan zien dat wanneer in dezelfde behuizing twee typen motoren gekozen zouden zijn, een vaste voor de luchtmacht en een draaibare VTOL-motor voor de marine, in elk geval het toestel voor de luchtmacht (dus voor ons) veel goedkoper had kunnen zijn. Ook de eis om van Amsterdam naar Moskou te kunnen vliegen zonder gezien te worden, is niet relevant als je een luchtverdedingsjager zoekt (en dat doen wij, als ik het goed begrepen heb). Kortom, een schaap met vijf poten is in dit geval gedoemd te mislukken. Tot het Pentagon bij zinnen komt, kan Nederland beter zijn handen van deze zekere mislukking aftrekken.

Kaizen is weer terug in Nederland

In de Banenbijlage van de Volkskrant van 19 mei stond een artikel over het toepassen van kaizen in Nederland. Verrassend genoeg ging het niet over toepassing in de industrie, maar over toepassing in de medische sector, in ziekenhuizen met name. Het St. Elisabeth Ziekenhuis in Tilburg en het VUmc in Amsterdam blijken er mee te experimenteren. En in de zorg is Stichting Zorgbalans in Noord-Holland al geruime tijd bezig met kaizen. De laatste keer dat ik hoorde over kaizen in de medische sector was toen de directeur van het ziekenhuis van Purmerend er belang in stelde. Dat zal ergens rond 1990 geweest zijn.
Kaizen wordt vaak vertaald als “continu verbeteren (in kleine stapjes)”. Het idee is dat de medewerkers op de werkvloer het beste weten hoe zij het proces kunnen verbeteren. Doordat zij voortdurend bezig zijn met verbeteren van op zich kleine details gaat de organisatie er voortdurend op vooruit. Het management moet die activiteiten natuurlijk wel van harte ondersteunen. Maar als zij dat doen dan zal het resultaat er ook naar zijn. De kwaliteit van het werk wordt beter, het product wordt beter en uiteindelijk is de klant tevreden.
Uit het verhaal in de Volkskrant blijkt dat de oude makke van dit soort kwaliteitsprogramma’s onveranderd is. Het hangt op de blijvende steun uit het management. In het artikel viel de niet van toepassing zijnde term efficiency. Het management zal dat snel vertalen als kostenbesparing. En daar wringt nu juist de schoen. Want er zal altijd geïnvesteerd moeten worden in kaizen. Mensen moeten getraind en begeleid worden. En bovendien gaat het niet om efficiency, maar om effectiviteit: doen wat de klant wil. Al dit soort programma’s gaat uiteindelijk stuk op dezelfde oorzaak. Als de lamlullen in het management zelf niet kaizen denken, dan komt er uiteindelijk weinig van terecht.

De verborgen apocalyps | 2 kakogenetica

Eugenetica, het verbeteren van de soort door ingrijpen in het dna, roept bij velen schrikbeelden op van op maat gemaakte supermensen, die gekweekt worden voor een bepaald doel. De mens kennende zal dat wel neerkomen op soldaten en hoeren. Deze vrees lijkt mij niet ongegrond. Maar er bestaat een minder ver reikende vorm van eugenetica, waarbij we niet de soort verbeteren, maar alleen maar de slechte genen proberen uit te wieden. Zelfs dit is voor veel mensen nog een nachtmerrie. Maar er is iets voor te zeggen.
Het is allang zo dat wij mensen in leven kunnen houden, die het in de oertijd niet gered zouden hebben. Op zich is dat een goede zaak, het maakt ons mens, humaan. Maar als wij mensen in leven houden die een erfelijk gebrek hebben en die mensen planten zich voort, dan verspreidt dat gebrek zich door de populatie. De medische wetenschap is al zover dat we het niet meer hebben over één enkel gebrek, maar over honderden, misschien zelfs duizenden, afwijkingen. Het gaat daarbij niet om afwijkingen als een hazelip of een bloemkooloor. Denk eerder aan levensbedreigende afwijkingen, zoals ALS, taaislijmziekte en de ziekte van Crohn. Tegenwoordig wordt in een aantal gevallen, waarin de afwijking bekend is, voorlichting gegeven aan de potentiële ouders. Die dan alsnog kunnen beslissen het risico te nemen. Dit soort voorlichting wordt echter pas sinds kort gegeven. Zelfs als wij nu maatregelen zouden kunnen nemen, dan hebben honderden genetische afwijkingen zich al door de populatie kunnen verspreiden.
Blijft alles bij het oude, dat wil zeggen blijft de medische wetenschap zich steeds verder ontwikkelen, dan hoeft dat helemaal geen probleem te zijn. Vroeg of laat zullen we immers methoden vinden om de afwijkende genen alsnog te herstellen. Maar als er op een of andere manier een terugval komt in de economische ontwikkelingen en daardoor de fondsen voor medische ontwikkeling wegvallen, dan kan het een heel ander verhaal worden. Een deel van de menselijke populatie zal dan opgescheept zitten met ongunstige genen. Vallen we terug naar een primitief bestaan, dan is er weer niks aan de hand. Dan overleven die mensen niet. Maar komen we in een tussenvorm terecht waarin we de medische kennis die we hebben min of meer in stand kunnen houden, maar we niet meer de wondermiddelen kunnen maken om achteraf alles te herstellen, dan gaat het er grimmig uitzien voor de mens. De ongunstige genen zullen zich dan immers kunnen blijven vespreiden. Tot uiteindelijk iedereen een ernstig gebrek heeft. Dat lijkt me niet goed voor het voortbestaan van de soort.
Wat moeten of kunnen we er aan doen? Persoonlijk zou ik niet de leider willen zijn die tegen mensen moet zeggen:”sorry, u mag geen kinderen krijgen/verwekken, want u heeft slechte genen.” Onderzoek en voorlichting lijken mij de enige humane aanpak. Niets doen is in elk geval geen optie, want dat betekent dat het afwijzen van eugenetica leidt tot kakogenetica: het verslechteren van de soort door toe te staan dat slechte genen zich door de soort verspreiden.
Een duivels dilemma. Mensen met afwijkende genen beperkingen opleggen, kan het begin van een inhumane samenleving zijn. Maar iedereen de vrijheid laten houden zich voort te planten kan het begin van de apocalypse zijn.