Drie fatale mythen die ten grondslag liggen aan de crisis | 4. wat nu?

Alles goed en wel, zo’n potje kritiek, maar hoe moeten we nu verder? Het is niet eenvoudig iets te doen, wanneer je als beleidsmaker de overtuiging hebt dat je beter niets kunt doen. Dat is de eerste stap die gezet moet worden. Politici moeten er weer van overtuigd raken dat de overheid een belangrijke sturende rol heeft. Overal om eens heen kun je zien hoe het mis gaat als de overheid geen visie heeft. Maar het voorbeeld dat iedereen zal overtuigen is een rit langs de snelweg, maakt niet uit welke (met uitzondering van de afsluitdijk). Er is geen gemeente waar niet een eindeloos lint van industrieterreinen langs de snelweg is aangelegd. Dat is allemaal mogelijk geworden dankzij het loslaten van de overheidsbemoeienis. De Belgische Noordzeekust zal ik maar niet noemen, dat is te schrijnend. De volgende drie aandachtspunten kunnen een fundament voor verandering leggen.

1) De overheid moet weer krachtig richting aangeven. Doelstellingen vastleggen en beleidsplannen maken om die doelstellingen te realiseren. Niet langer wachten wat de markt er van brouwt. De overheid creëert kaders, die bedrijven kunnen invullen. Daarbij treedt de overheid op als vertegenwoordiger van de burgers, niet als vertegenwoordiger van bedrijven en rijken.

2) Wettelijk mogen bedrijven niet de doelstelling hebben om winst te maken. Iedere organisatie dient een maatschappelijk belang te dienen. Winst maken moet natuurlijk wel, maar uitsluitend met het doel het realiseren van de maatschappelijke doelstelling op langere termijn veilig te stellen. Daarin besloten ligt uiteraard het betalen van rente aan investeerders. Een organisatie die het maken van winst als hoofddoel heeft, dient door de overheid als verdacht aangemerkt te worden.

3) Rijke mensen hoeven niet in de watten gelegd te worden. Maatregelen die de overheid neemt om de laagste inkomens toegang te verlenen tot anders ontoegankelijke zaken en diensten, vallen niet onder het “gelijke monniken, gelijke kappen” principe. De rijken dienen het volle pond te betalen. Ook belastingmaatregelen die bedoeld zijn om de rijkdom te vergroten, in de verwachting dat er dan wel geïnvesteerd zal worden, zijn uit den boze. Een surplus aan rijkdom zal namelijk tot speculatie en kapitaalvernietiging leiden. Hier is niets communistisch aan; rijken mogen gewoon rijk blijven, zij mogen alleen niet door de overheid nog rijker gemaakt worden.

Een voorbeeld om duidelijk te maken wat de samenhang tussen deze punten is. De bouw van woningen ligt op z’n gat. De overheid kan nu het volgende wettelijke kader creëren: 1) Doelstellingen van aantallen te bouwen huizen in verschillende categorieën, die overeenstemmen met de wensen van de bevolking 2) Belastingvoordeel voor pensioenfondsen die verplicht X% van hun beleggingen in sociale woningbouw moeten doen (zij mogen nauwelijks nog investeren in kantoren en bedrijfsgebouwen) 3) Woningbouwverenigingen en gemeenten geven leiding aan de uitvoering. Alle bij de bouw betrokken bedrijven moeten een maatschappelijke doelstelling hebben, bijvoorbeeld het bouwen van woningen. Bedrijven die uitsluitend zijn opgericht om de aandeelhouders op korte termijn rijker te maken, mogen niet meedoen met aanbestedingen. En tenslotte wordt de belastingaftrek voor een hypotheek gemaximeerd op een bedrag, dat recht doet aan de inkomenspositie van de hypotheeknemer (voorbeeld: maximaal 10000 euro hypotheekrente is aftrekbaar).

Dit lijkt allemaal open deuren werk en simplistisch geredeneer. Maar bedenk dat de afgelopen tijd heeft laten zien dat 1) de overheid niet stuurt 2) bedrijven vooral bezig zijn met verrijking van directie en aandeelhouders en 3) extreem rijken zich suf hebben gespeculeerd met gebakken lucht producten van de banken.

Advertisements
By ippekrites Posted in crisis

Drie fatale mythen die ten grondslag liggen aan de crisis | 3. de overheid moet terugtreden (het marktdenken)

In het neo-liberale denken dat begin jaren tachtig langzaamaan voet aan de grond kreeg in Europa werd de overheid steevast afgeschilderd als de bron van alle kwaad. Met zijn regels en bemoeizucht verhinderde de overheid de economische groei en het realiseren van de wensen van de burger. Bovendien had de overheid veel te veel mensen in dienst (wat bij een terugtredende overheid nog erger wordt), waardoor de overheid te duur was. Regeringen moesten afslanken en de vervulling van de diepste wensen van de burger (een i-pad en een segway, weten we nu) aan de markt overlaten. Burger en bedrijf zouden er samen het beste uitkomen.

We hoeven maar naar het rookprobleem te kijken om te zien hoe waanzinnig deze laatste stelling is. De tabaksindustrie heeft lange tijd geprobeerd om regulering tegen te houden met de slogan: “we komen er samen wel uit”. In de praktijk betekende dit dat er gewoon doorgerookt werd als voorheen. De gevolgen van de markwerking, het terugtreden van de overheid, strekken echter vele malen verder dan het rookvoorbeeld. Want daar bleef de situatie nog onveranderd. Maar de vrije markt leidde tot chaos, grootschalige diefstal, kapitaalverlies en een enorm kwaliteitsverlies.

Toen de marktwerking in de jaren negentig goed op de rails was gezet, werd al heel snel duidelijk wat de gevolgen waren. Bij zorginstellingen en nutsbedrijven verhoogden de directies als eerste hun salarissen en schaften zich een PC Hooft-traktor aan. Vervolgens stelden zij dat hun bedrijf een gewoon bedrijf moest zijn en dus winst moest maken. Wie aflevering twee heeft gelezen weet wat dat de organisaties met een maatschappelijk doel als gevolg daarvan veel hoger, financieel geschoold personeel gingen aantrekken. Waardoor de organisaties een waterhoofd kregen en te hoge personeelskosten. Met het gevolg dat op de werkvloer gesnoeid moest worden. Binnen korte tijd leverden de vrijgemaakte bedrijven niet de verwachte extra service, maar juist heel veel minder.

Aanvankelijk werden deze negatieve verschijnselen afgedaan als kinderziekten. Maar uit mijn verhaal zal inmiddels duidelijk zijn dat deze ontwikkelingen inherent zijn aan het systeem. Als de visie van een bedrijf wordt dat het winst moet maken en de overheid ter ondersteuning daarvan een facilitaire positie inneemt, dan is dat hetzelfde als geen visie hebben. Sowieso heeft een overheid die alles aan de markt overlaat geen visie. En dat is nu het grote probleem. Een overheid die iets voor zijn burgers wil doen, moet een sterke visie hebben, moet de touwtjes in handen willen houden. Als je de zorg goedkoper wilt hebben, dan moet je actief sturen. Hetzelfde geldt voor de woningbouw. De malaise op de huizenmarkt is een direct gevolg van de vrije markt. Die heeft de prijzen opgejaagd, niet de hoogte van de hypotheek.

De gevolgen van ruim twintig jaar totaal visieloos regeren zijn nu volop zichtbaar. Aanvankelijk heeft het ambtenarenapparaat zich dapper verzet tegen de leeghoofdigheid van de winstvisie, maar na jaren strijd heeft men het begin jaren negentig opgegeven. Het ambtenarenapparaat weet nu niet meer hoe het de ontwikkelingen op de markt kan bijsturen. De regering moet het hebben van adviezen van de ambtenaren, dus die heeft ook geen idee hoe hun vage ideeën gerealiseerd kunnen worden. De gevolgen zijn elke dag overal zichtbaar. Politici roepen bijvoorbeeld keer op keer “meer blauw op straat” en bezuinigen vervolgens net zo makkelijk tweeduizend arbeidsplaatsen bij de politie weg. Ons land, nee heel de westerse wereld, is stuurloos geworden. Dat is de essentie en tegelijk het resultaat van het marktdenken.

Drie fatale mythen die ten grondslag liggen aan de crisis | 2. winst maken is het doel van bedrijven

Het lijkt zo natuurlijk en voor de hand liggend, dat het doel van bedrijven, of organisaties in het algemeen, is om winst te maken. Maar het is helemaal niet natuurlijk. Het doel van organisaties hoort maatschappelijk te zijn. Sinds de dageraad der mensheid hebben wij ons verenigd om gezamenlijk doelen te bereiken, lang voordat het begrip winst bestond. Vanaf de eerste jachtgroepen via de weefgetouwen van de industriële revolutie tot en met de pharmaceutische giganten van nu, al deze organisaties ontlenen hun bestaansrecht aan het feit dat zij iets nuttigs opleveren voor de mens. Anders gezegd, de samenleving heeft het volste recht om de doelstellingen van organisaties te toetsen aan de doelstellingen van de samenleving als geheel. Als een organisatie wordt opgericht met het doel om Nederland onder water te zetten om er één groot watersportgebied voor rijke Chinezen van te maken, dan zal die organisatie snel tot de orde geroepen worden.

Toch heeft de winstdoelstelling meegespeeld in de rol van de organisatie vanaf het allereerste gebruik van betaalmiddelen. In elk geval toch bij particuliere organisaties. Daar is ook een rechtvaardiging voor: degene die de geldelijke middelen beschikbaar stelt voor het opzetten van een organisatie heeft recht op een vergoeding. Daarvoor moet het bedrijf meer verdienen dan er is ingestopt: de winst. Daarnaast is het natuurlijk nodig geld opzij te zetten voor onderhoud, vernieuwing en tegenslagen. Nog altijd is echter winst niet het hoofddoel van de organisatie. Het is eerder een noodzakelijk middel om het bedrijf mogelijk te maken (rente voor de geldschieter) of in stand te houden (reserves sparen). Winst is dus geen doel, maar een voorwaarde.

Ergens in het zog van de neo-liberale revolutie heeft het idee postgevat dat organisaties er zijn voor de aandeelhouders. Wat zij doen en hoe zij dat doen is niet belangrijk, als de aandeelhouders er maar beter van worden. Dat alles binnen wettelijke, maatschappelijke kaders. Hier is de verschuiving al duidelijk zichtbaar. Het maatschappelijk doel is een maatschappelijk kader geworden. De bestaansvoorwaarde winst is een afgeleid doel geworden, namelijk van het hoofddoel de aandeelhouders rijker te maken. Omdat echter de wetgeving de directe invloed van aandeelhouders in vrijwel alle landen danig beperkt, is in de praktijk het maken van winst het hoofddoel van de organisatie geworden.

Daarmee is een doos van pandora opengetrokken die van de oorspronkelijke maatschappelijke doelstelling van organisaties een waanzinnige persiflage heeft gemaakt. De belangrijkste persoon in de organisatie, de president-directeur, werd alleen nog maar afgerekend op winst. Omdat deze figuren meestal niet voldoende verstand hadden van de financiële aspecten van de bedrijfsvoering, begonnen zij zich te omringen met een hele hofhouding van economisch en financieel geschoolde vazallen, die zonder uitzondering één ding gemeen hadden: zij wisten geen klap van de maatschappelijke rol van de organisatie. Wel maakten zij daar langzamerhand de dienst uit. Wie twijfelt aan deze visie moet maar eens uitzoeken of de opkomst van functies als controller en treasurer niet toevallig samenviel met het begin van het winst-paradigma.

De gevolgen van deze ontwikkeling zijn bekend. Vrijwel alle organisaties hebben tegenwoordig een gigantisch waterhoofd, waardoor de personeelslasten enorm gestegen zijn. Als oplossing heeft men flink gesnoeid in de uitvoerende taken, waardoor organisaties steeds meer moeite hebben hun taken naar behoren te verrichten. Dat is helemaal niet erg als het maken van winst de hoofdtaak is. Maar als het bedrijf iets voor de samenleving moet betekenen, is het wel erg. Veel erger is nog dat hele landen van hun industrie beroofd zijn doordat het voor de winst beter uitkwam de boel te verkopen of naar het buitenland te verplaatsen. Hedgefunds zijn de moderne uitwassen van deze ontwikkeling. Niet langer tellen economische onafhankelijkheid, werkgelegenheid en onderzoeksmogelijkheden mee in de besluitvorming, maar uitsluitend nog de vraag hoe de aandeelhouder zo snel en zo ruim mogelijk beloond kan worden.

Drie fatale mythen die ten grondslag liggen aan de crisis | 1. rijke mensen bevorderen de groei

Het standaard argument om de hoogste belastingtarieven te verlagen is dat rijke mensen dan eerder geneigd zullen zijn om te investeren. Maar waarom zouden zij dat doen? Als zij meer overhouden zullen zij dan meer gaan investeren? Of zullen zij eerder het surplus extra veilig oppotten, bijvoorbeeld bij een bank in Zwitserland? Of zullen zij eerder geneigd zijn om aan zeer risicovolle projecten met te doen. Ik denk het laatste. Meer geld leidt tot meer windhandel.

Rijke mensen dragen sowieso niet bij aan de groei. Een eenvoudig rekenvoorbeeld laat dit zien. Stel een rijke heeft één miljoen. Daarvoor zal hij spulletjes kopen, maar niet meer dan hij nodig heeft. Misschien zullen er in zijn huis tien tv’s passen. Stel nu dat duizend gewone mensen dat miljoen hebben. Dan kunnen zij duizend van die tv’s kopen. In dit geval is de bijdrage aan de groei dus groter. Dat dit mechanisme werkt is ook te zien aan het feit dat de welvaartsgroei het hoogst was op het moment dat er stevig genivelleerd werd.

Er is nog een algemener bezwaar tegen de aggregatie van rijkdom bij enkelen. Als geld niet meer nodig is om te leven, maar in overvloed voorhanden is, dan zullen mensen wegen zoeken om ermee te spelen. Door te gokken op de beurs bijvoorbeeld, door risicovol te beleggen, door deelname aan de fantasieprojecten waar banken zich de laatste twintig jaar in gespecialiseerd lijken te hebben. Als het fout gaat zijn zij het geld kwijt. Voor henzelf is dat niet erg, zeker niet als zij genoeg over hebben. Maar voor de maatschappij die de belastingen verlaagd heeft om dit risicovolle gedrag mogelijk te maken betekent het inkomstenverlies. Per saldo heeft de belastingverlaging  dan op geen enkele manier bijgedragen aan de groei. Er is immers een hoop geld verdwenen dat anders nuttig besteed had kunnen worden.

Alle redenen om rijke mensen meer geld over te laten houden door belastingverlaging zijn drogredenen. Het wakkert de windhandel aan, de handel in risicovolle beleggingen. Verhoging van de belasting voor de rijken daarentegen zal wel een gunstig effect hebben. In dat geval zullen zij namelijk wel moeten beleggen, omdat de rente op spaarrekeningen de inflatie niet bij zal houden. En zij zullen dan veiliger gaan beleggen omdat er meer op het spel staat. Wil je de groei bevorderen dan moet je de hoogste belastingtarieven verhogen en de laagste verlagen. Kortom: als het werkelijk om groei gaat moet je geen vlaktaks invoeren, maar juist verder nivelleren. Daarmee zul je tevens de bestedingen van de laagste inkomensgroepen opvoeren. Draai je daarbij tegelijk de kredietkraan dicht, dan zal het schuldenprobleem vanzelf kleiner worden.

Drie fatale mythen die ten grondslag liggen aan de crisis | 0. inleiding

Elke dag kijk ik met meer ongeloof naar onze politici die op de huidige crisis geen beter antwoord weten dan afwachten tot het over gaat. Nathouden en pappen lijkt de filosofie. Nu moet ik eerlijk zeggen dat ik ook pas dit jaar alles op een rijtje heb gezet. Maar achter de grote mensen van de politiek zitten wetenschappelijke denktanks vol met gestudeerde hoofden. Die zouden toch met wat leuks moeten kunnen komen. En dan bedoel ik niet de vlaktaks, die het probleem alleen maar veel erger zal maken.

De malaise waar we nu in zitten is volgens mij voor een groot deel te wijten aan het geloof in drie mythen, die ergens eind jaren zeventig begin jaren tachtig gemeengoed zijn geworden. Die mythen zijn toen als wetenschappelijke uitgangspunten gepresenteerd, maar zijn eigenlijk totaal onbewezen. Of misschien moet ik zeggen, zij waren destijds onbewezen, maar nu is wel aangetoond dat er niets van deugt. Voor ik op die mythen inga, zal ik eerst kort aangeven in welke situatie die mythen aanhang kregen.

Het wonder van de naoorlogse welvaart is voor het grootste deel tot stand gebracht door het creëren van koopkrachtige vraag aan de onderkant van de samenleving. Verschillende maatregelen zijn ingezet om dat resultaat te bereiken. De belangrijkste daarvan is de nivellering van de lonen door middel van gedifferentiëerde belastingheffing. In het kort: de belastingen voor de laagste lonen werden verlaagd en dat werd betaald met verhoging van de belasting voor de hogere lonen.  Door deze nivellering kreeg de arbeidersklasse voor het eerst toegang tot luxe goederen.  Daardoor steeg de vraag naar goederen wat weer tot inflatie leidde, de producten werden duurder. En daardoor dreigde de groei te stagneren.

In de jaren zeventig begon zich zo’n combinatie van inflatie en stagnatie af te tekenen. Volgens sommigen zou de oplossing kunnen bestaan uit een denivellering , waardoor het voor de rijken aantrekkelijker zou worden om geld te investeren en daarmee te verdienen. Producten zouden dan goedkoper gemaakt kunnen worden, waardoor het effect van hogere belasting voor de laagstbetaalden teniet gedaan zou worden. En het zou de inflatie beteugelen. Op zich was er niet veel in te brengen tegen zo’n corrigerende maatregel. Maar in het kielzog van deze conservatieve ideeën drongen veel radicalere concepten het denken van economen binnen. Het zijn de ideeën dat rijke mensen voor groei zorgen, dat bedrijven er zijn om winst te maken en dat de overheid zich niet met de markt moet bemoeien.

Het zijn concepten die weinig meer te maken hebben met het sturen van de economie, maar veel meer met de inrichting van de samenleving. Ze zijn vergelijkbaar met de conservatieve ideeën die naar boven kwamen door het succes van de evolutietheorie, namelijk die van het sociaal darwinisme. Rijke en machtige mensen waren zo, omdat zij geselecteerd waren door de evolutie. Daar kon men zich beter niet tegen verzetten. Maar in feite is daardoor het concept van “survival of the fittest” vervangen door het concept van “survival of the fattest”, ook wel Jungle Law genoemd.

In de volgende drie aflevering zal ik de mythen één voor één behandelen. Het gaat om de volgende drie mythen:
1) Heel rijke mensen zorgen voor groei  (aggregatie van rijkdom) ;
2) Bedrijven zijn er voor de eigenaren, de aandeelhouders (en die willen winst);
3) Een terugtredende overheid zorgt voor meer welvaart  (de vrije markt).

Bij elkaar vormen deze drie mythen het neo-conservatieve paradigma van het marktdenken.