Drie fatale mythen die ten grondslag liggen aan de crisis | 1. rijke mensen bevorderen de groei

Het standaard argument om de hoogste belastingtarieven te verlagen is dat rijke mensen dan eerder geneigd zullen zijn om te investeren. Maar waarom zouden zij dat doen? Als zij meer overhouden zullen zij dan meer gaan investeren? Of zullen zij eerder het surplus extra veilig oppotten, bijvoorbeeld bij een bank in Zwitserland? Of zullen zij eerder geneigd zijn om aan zeer risicovolle projecten met te doen. Ik denk het laatste. Meer geld leidt tot meer windhandel.

Rijke mensen dragen sowieso niet bij aan de groei. Een eenvoudig rekenvoorbeeld laat dit zien. Stel een rijke heeft één miljoen. Daarvoor zal hij spulletjes kopen, maar niet meer dan hij nodig heeft. Misschien zullen er in zijn huis tien tv’s passen. Stel nu dat duizend gewone mensen dat miljoen hebben. Dan kunnen zij duizend van die tv’s kopen. In dit geval is de bijdrage aan de groei dus groter. Dat dit mechanisme werkt is ook te zien aan het feit dat de welvaartsgroei het hoogst was op het moment dat er stevig genivelleerd werd.

Er is nog een algemener bezwaar tegen de aggregatie van rijkdom bij enkelen. Als geld niet meer nodig is om te leven, maar in overvloed voorhanden is, dan zullen mensen wegen zoeken om ermee te spelen. Door te gokken op de beurs bijvoorbeeld, door risicovol te beleggen, door deelname aan de fantasieprojecten waar banken zich de laatste twintig jaar in gespecialiseerd lijken te hebben. Als het fout gaat zijn zij het geld kwijt. Voor henzelf is dat niet erg, zeker niet als zij genoeg over hebben. Maar voor de maatschappij die de belastingen verlaagd heeft om dit risicovolle gedrag mogelijk te maken betekent het inkomstenverlies. Per saldo heeft de belastingverlaging  dan op geen enkele manier bijgedragen aan de groei. Er is immers een hoop geld verdwenen dat anders nuttig besteed had kunnen worden.

Alle redenen om rijke mensen meer geld over te laten houden door belastingverlaging zijn drogredenen. Het wakkert de windhandel aan, de handel in risicovolle beleggingen. Verhoging van de belasting voor de rijken daarentegen zal wel een gunstig effect hebben. In dat geval zullen zij namelijk wel moeten beleggen, omdat de rente op spaarrekeningen de inflatie niet bij zal houden. En zij zullen dan veiliger gaan beleggen omdat er meer op het spel staat. Wil je de groei bevorderen dan moet je de hoogste belastingtarieven verhogen en de laagste verlagen. Kortom: als het werkelijk om groei gaat moet je geen vlaktaks invoeren, maar juist verder nivelleren. Daarmee zul je tevens de bestedingen van de laagste inkomensgroepen opvoeren. Draai je daarbij tegelijk de kredietkraan dicht, dan zal het schuldenprobleem vanzelf kleiner worden.

Advertisements

Drie fatale mythen die ten grondslag liggen aan de crisis | 0. inleiding

Elke dag kijk ik met meer ongeloof naar onze politici die op de huidige crisis geen beter antwoord weten dan afwachten tot het over gaat. Nathouden en pappen lijkt de filosofie. Nu moet ik eerlijk zeggen dat ik ook pas dit jaar alles op een rijtje heb gezet. Maar achter de grote mensen van de politiek zitten wetenschappelijke denktanks vol met gestudeerde hoofden. Die zouden toch met wat leuks moeten kunnen komen. En dan bedoel ik niet de vlaktaks, die het probleem alleen maar veel erger zal maken.

De malaise waar we nu in zitten is volgens mij voor een groot deel te wijten aan het geloof in drie mythen, die ergens eind jaren zeventig begin jaren tachtig gemeengoed zijn geworden. Die mythen zijn toen als wetenschappelijke uitgangspunten gepresenteerd, maar zijn eigenlijk totaal onbewezen. Of misschien moet ik zeggen, zij waren destijds onbewezen, maar nu is wel aangetoond dat er niets van deugt. Voor ik op die mythen inga, zal ik eerst kort aangeven in welke situatie die mythen aanhang kregen.

Het wonder van de naoorlogse welvaart is voor het grootste deel tot stand gebracht door het creëren van koopkrachtige vraag aan de onderkant van de samenleving. Verschillende maatregelen zijn ingezet om dat resultaat te bereiken. De belangrijkste daarvan is de nivellering van de lonen door middel van gedifferentiëerde belastingheffing. In het kort: de belastingen voor de laagste lonen werden verlaagd en dat werd betaald met verhoging van de belasting voor de hogere lonen.  Door deze nivellering kreeg de arbeidersklasse voor het eerst toegang tot luxe goederen.  Daardoor steeg de vraag naar goederen wat weer tot inflatie leidde, de producten werden duurder. En daardoor dreigde de groei te stagneren.

In de jaren zeventig begon zich zo’n combinatie van inflatie en stagnatie af te tekenen. Volgens sommigen zou de oplossing kunnen bestaan uit een denivellering , waardoor het voor de rijken aantrekkelijker zou worden om geld te investeren en daarmee te verdienen. Producten zouden dan goedkoper gemaakt kunnen worden, waardoor het effect van hogere belasting voor de laagstbetaalden teniet gedaan zou worden. En het zou de inflatie beteugelen. Op zich was er niet veel in te brengen tegen zo’n corrigerende maatregel. Maar in het kielzog van deze conservatieve ideeën drongen veel radicalere concepten het denken van economen binnen. Het zijn de ideeën dat rijke mensen voor groei zorgen, dat bedrijven er zijn om winst te maken en dat de overheid zich niet met de markt moet bemoeien.

Het zijn concepten die weinig meer te maken hebben met het sturen van de economie, maar veel meer met de inrichting van de samenleving. Ze zijn vergelijkbaar met de conservatieve ideeën die naar boven kwamen door het succes van de evolutietheorie, namelijk die van het sociaal darwinisme. Rijke en machtige mensen waren zo, omdat zij geselecteerd waren door de evolutie. Daar kon men zich beter niet tegen verzetten. Maar in feite is daardoor het concept van “survival of the fittest” vervangen door het concept van “survival of the fattest”, ook wel Jungle Law genoemd.

In de volgende drie aflevering zal ik de mythen één voor één behandelen. Het gaat om de volgende drie mythen:
1) Heel rijke mensen zorgen voor groei  (aggregatie van rijkdom) ;
2) Bedrijven zijn er voor de eigenaren, de aandeelhouders (en die willen winst);
3) Een terugtredende overheid zorgt voor meer welvaart  (de vrije markt).

Bij elkaar vormen deze drie mythen het neo-conservatieve paradigma van het marktdenken.